(dit is het eerste deel in een serie over homosexualiteit binnen een gereformeerde omgeving)
Langzaam voelt ze het lichter worden in haar hoofd, er bestaan geen ramen meer in de donkerste gedrochten van haar gedachten. Mistig is het, in haar hoofd en voor haar ogen. Zoveel mensen, iedereen weet het beter als zij, iedereen weet hoe de wereld in elkaar hoort te zitten. Één ding is duidelijk, zij hoort niet in die wereld thuis, zij hoort in geen enkele wereld thuis...
Haar maag draait en ze probeert het gevoel van misselijkheid te onderdrukken. Langzaam gaat ze op het bed liggen en probeert of er nog één keer orde in haar hoofd kan ontstaan. De chaos wordt alleen maar groter en als vanzelf denkt ze aan alles wat er gepasseerd is. Geliefde stemmen die plotseling koud en kil werden, ‘zo hebben wij je niet opgevoed’. Maar erger nog, de stemmen die niet meer klonken. Mensen die, zodra zij het wisten, haar begonnen te negeren. Oh, ze heeft de blikken in hun ogen wel gezien, de mengeling tussen verdriet, medelijden en iets ongrijpbaars, bijna angst leek het wel. Blijkbaar heeft ze een besmettelijke ziekte.
Het laken onder haar kleurt rood, ze ziet flitsen voorbijtrekken van gezichten die haar zo lief zijn. Gezichten van mensen die haar wilden helpen, maar niemand wist haar echt te bereiken. Niemand zit echt op dezelfde frequentie als zij. Vrienden die hetzelfde meegemaakt hebben, maar iemand aan hun zij vonden die met hen mee ging vechten. Vrienden die de twee werelden wel konden vereniging. Nee, dat mocht er voor haar niet zijn.
Ze voelt hoe tranen over haar wangen stromen. Een drukkend gevoel in haar buik, haar hoofd voelt raar aan, bijna alsof zij in euforie is. Kleurige flitsen van gelukkige momenten komen voorbij, maar ook die inktzwarte dalen die erop volgden. Die momenten van hoop en ontreddering. De onmogelijkheid om te ontsnappen aan wie je bent, wie je zou willen zijn. Wie je ook niet zou willen zijn, het maakt nu allemaal niet meer uit.
Ze hoort niet meer dat er beneden iemand aanbelt. Ze krijgt niets mee van de voetstappen van iemand die vergeet zijn schoenen uit te trekken in de haast om binnen te komen. Ze hoort het roepen van haar naam niet meer, de persoon die gehaast alle deuren open trekt om te zien of ze haar kan vinden. Ze hoort de angst niet die door het roepen heen gaat klinken. Dan de deur die open vliegt. De tranen die over het gezicht van de oudere vrouw lopen die binnen komt rennen. Ze hoort niet meer dat er nog anderen binnen komen, dat er iemand 112 belt. Iemand heb bloeden probeert te stelpen, hoe er geconstateerd wordt dat ze niet meer ademt.
Ze hoort niet meer dat de vrouw zich over haar heen buigt en zegt: ‘lieverd, ik hou van je, hoe je ook bent, niets kan dat veranderen…. ik hou van je’
Wordt vervolgd... |